Studiekostenbeding
Blog over studiekostenbeding
Vooraf
De Hoge Raad formuleerde in zijn arrest van 26 september 2025 een duidelijke regel over het studiekostenbeding. Scholing die op grond van artikel 7:611a lid 1 BW noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van een werknemer, moet de werkgever kosteloos aanbieden. Een studiekostenbeding op basis waarvan de werkgever de kosten voor deze scholing op de werknemer tracht te verhalen, is niet geldig.
In zijn arrest oordeelde de Hoge Raad over de Beroepsopleiding Advocatuur. Deze is noodzakelijk voor de functie van advocaat en is géén vooropleiding.
Maar hoe zit dat bij andere beroepsgroepen? Wanneer is een opleiding/scholing noodzakelijk voor de uitoefening van een functie? En welke afspraken mogen werkgever en werknemer nog wél maken over studiekosten?
Wanneer is scholing noodzakelijk in de zin van artikel 7:611a lid 1 BW?
Scholing die in opdracht van de werkgever moet worden gevolgd, is noodzakelijk voor de uitoefening van de functie. In dat geval is de scholing immers een voorwaarde voor de werkgever om een werknemer in dienst te nemen of in dienst te houden.
Meestal is het duidelijk wanneer sprake is van scholing die in
opdracht van de werkgever wordt gevolgd. Zo kan een opleiding in de vacature
van een functie genoemd worden.
Daarnaast kan de invloed van de werkgever op de vraag waar de scholing
gevolgd moet worden een aanwijzing zijn dat de werkgever de scholing als
noodzakelijk ziet. Zo bepaalde Teamzorg dat haar werkneemster een opleiding
moest volgen bij het Zorgcollege en dat zij deze opleiding niet mocht volgen
bij het (goedkopere) ROC Nijmegen.
Verder kan worden gekeken naar de situatie van andere werknemers die
dezelfde functie bekleden. Wanneer twaalf werknemers bij een bedrijf in dienst
zijn als Monteur, maar slechts zes monteurs een opleiding Monteur
Beveiligingssystemen volg(d)en, is dat een sterke indicatie dat de opleiding bij
dat bedrijf niet noodzakelijk is voor de functie Monteur.
Wat mag de werkgever nog wel?
Scholing die niet tijdens, maar vóór het dienstverband wordt gevolgd,
mag de werkgever bij vroegtijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de
werknemer verhalen. Hierbij valt te denken aan de situatie dat een potentiële
werkgever- en werknemer een studieovereenkomst met baangarantie sluiten. Zo sloten
Melis en Randstad studieovereenkomsten met potentiële werknemers voor het halen
van een rijbewijs C.
Verder mag scholing die op grond van een wettelijke bepaling verplicht is om een functie te mogen uitvoeren – maar die bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst nog niet gevolgd was - bij vroegtijdige beëindiging op de werknemer worden verhaald. Deze situatie zal zich niet vaak voordoen. Hierbij kan gedacht worden aan een werknemer die pas nadat hij in dienst treedt als chauffeur begint met het behalen van een rijbewijs.
Scholing die weliswaar nuttig is voor de uitvoering van de eigen
functie, maar niet noodzakelijk is, mag ook op de werknemer verhaald worden.
Het gaat dan om scholing die ziet op algemene ontwikkeling. Een voorbeeld
hiervan is een administratief medewerker die de opleiding Moderne
bedrijfsadministratie volgt.
Valt scholing ten behoeve van een toekomstige functie onder noodzakelijke scholing?
Het (vrijblijvend) aanbieden van scholing met het oog op promotie, loonsverhoging of bredere inzetbaarheid van de werknemer leek volgens vaste rechtspraak mogelijk.[6] De scholing is in dat geval niet noodzakelijk voor de functie die de werknemer op dat moment bekleedt, maar slechts voor een functie die de werknemer (mogelijk) in de toekomst zal bekleden.
Hier zou echter verandering in kunnen komen. Zo leek de rechtbank
Oost-Brabant in een recente uitspraak de deur open te zetten voor het
uitgangspunt dat scholing op basis waarvan kan worden doorgestroomd naar een
hogere functie (van Helpende naar Verzorgende) onder omstandigheden een vorm
van noodzakelijke scholing kan zijn.
Conclusie
Kosten voor scholing en opleidingen kunnen slechts met een studiekostenbeding op de werknemer worden verhaald wanneer deze scholing niet noodzakelijk is voor de uitvoering van de functie van de werknemer. Scholing die gericht is op algemene ontwikkeling of een startkwalificatie is niet noodzakelijk.
Voor nu is de vraag of scholing met het oog op bredere inzetbaarheid of promotie als noodzakelijk kan worden gezien. De rechtbank Oost-Brabant vindt dat dit, onder omstandigheden, het geval kan zijn. Rechtspraak over de noodzakelijkheid van scholing zal zich ongetwijfeld blijven ontwikkelen.