Studiekostenbeding

Blog over studiekostenbeding

schedule 5 mei 2026
bookmark_border Arbeidsrecht
create Lars de Haan

Vooraf

De Hoge Raad formuleerde in zijn arrest van 26 september 2025 een duidelijke regel over het studiekostenbeding. Scholing die op grond van artikel 7:611a lid 1 BW noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van een werknemer, moet de werkgever kosteloos aanbieden. Een studiekostenbeding op basis waarvan de werkgever de kosten voor deze scholing op de werknemer tracht te verhalen, is niet geldig.  

In zijn arrest oordeelde de Hoge Raad over de Beroepsopleiding Advocatuur. Deze is noodzakelijk voor de functie van advocaat en is géén vooropleiding.

Maar hoe zit dat bij andere beroepsgroepen? Wanneer is een opleiding/scholing noodzakelijk voor de uitoefening van een functie? En welke afspraken mogen werkgever en werknemer nog wél maken over studiekosten?

Wanneer is scholing noodzakelijk in de zin van artikel 7:611a lid 1 BW?

Scholing die in opdracht van de werkgever moet worden gevolgd, is noodzakelijk voor de uitoefening van de functie. In dat geval is de scholing immers een voorwaarde voor de werkgever om een werknemer in dienst te nemen of in dienst te houden.

Meestal is het duidelijk wanneer sprake is van scholing die in opdracht van de werkgever wordt gevolgd. Zo kan een opleiding in de vacature van een functie genoemd worden.[1]Voorbeelden hiervan zijn de vacatures voor machinist bij de Nederlandse Spoorwegen (NS) en luchtverkeersleider bij de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL). Ook kan de werkgever al tijdens de sollicitatiegesprekken aangeven dat het volgen van een bepaalde opleiding een voorwaarde is voor indiensttreding.

Daarnaast kan de invloed van de werkgever op de vraag waar de scholing gevolgd moet worden een aanwijzing zijn dat de werkgever de scholing als noodzakelijk ziet. Zo bepaalde Teamzorg dat haar werkneemster een opleiding moest volgen bij het Zorgcollege en dat zij deze opleiding niet mocht volgen bij het (goedkopere) ROC Nijmegen.[2]

Verder kan worden gekeken naar de situatie van andere werknemers die dezelfde functie bekleden. Wanneer twaalf werknemers bij een bedrijf in dienst zijn als Monteur, maar slechts zes monteurs een opleiding Monteur Beveiligingssystemen volg(d)en, is dat een sterke indicatie dat de opleiding bij dat bedrijf niet noodzakelijk is voor de functie Monteur.[3]

Wat mag de werkgever nog wel?

Scholing die niet tijdens, maar vóór het dienstverband wordt gevolgd, mag de werkgever bij vroegtijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de werknemer verhalen. Hierbij valt te denken aan de situatie dat een potentiële werkgever- en werknemer een studieovereenkomst met baangarantie sluiten. Zo sloten Melis en Randstad studieovereenkomsten met potentiële werknemers voor het halen van een rijbewijs C.[4] Behaalden de potentiële werknemers na enkele weken met succes het rijbewijs C, dan kregen zij gegarandeerd een aanbod voor de functie Chauffeur. In deze gevallen is er geen sprake van ‘training on the job’.   

Verder mag scholing die op grond van een wettelijke bepaling verplicht is om een functie te mogen uitvoeren – maar die bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst nog niet gevolgd was -  bij vroegtijdige beëindiging op de werknemer worden verhaald. Deze situatie zal zich niet vaak voordoen. Hierbij kan gedacht worden aan een werknemer die pas nadat hij in dienst treedt als chauffeur begint met het behalen van een rijbewijs.

Scholing die weliswaar nuttig is voor de uitvoering van de eigen functie, maar niet noodzakelijk is, mag ook op de werknemer verhaald worden. Het gaat dan om scholing die ziet op algemene ontwikkeling. Een voorbeeld hiervan is een administratief medewerker die de opleiding Moderne bedrijfsadministratie volgt.[5]

Valt scholing ten behoeve van een toekomstige functie onder noodzakelijke scholing?

Het (vrijblijvend) aanbieden van scholing met het oog op promotie, loonsverhoging of bredere inzetbaarheid van de werknemer leek volgens vaste rechtspraak mogelijk.[6] De scholing is in dat geval niet noodzakelijk voor de functie die de werknemer op dat moment bekleedt, maar slechts voor een functie die de werknemer (mogelijk) in de toekomst zal bekleden.

Hier zou echter verandering in kunnen komen. Zo leek de rechtbank Oost-Brabant in een recente uitspraak de deur open te zetten voor het uitgangspunt dat scholing op basis waarvan kan worden doorgestroomd naar een hogere functie (van Helpende naar Verzorgende) onder omstandigheden een vorm van noodzakelijke scholing kan zijn.[7] In die uitspraak lijkt namelijk sprake te zijn van een werkneemster die op papier een leer-/arbeidsovereenkomst sloot met Teamzorg voor de functie Leerling Verzorgende IG, maar feitelijk werkzaam was als Helpende met de mogelijkheid om door te stromen naar de functie Verzorgende. Voor de functie Helpende was het volgen van een opleiding Verzorgende IG niet noodzakelijk. Tóch mocht Teamzorg de studiekosten niet op haar werkneemster verhalen, omdat Teamzorg bij het sluiten van het studiekostenbeding voornemens was om de werkneemster op termijn als Verzorgende in te zetten.

Conclusie

Kosten voor scholing en opleidingen kunnen slechts met een studiekostenbeding op de werknemer worden verhaald wanneer deze scholing niet noodzakelijk is voor de uitvoering van de functie van de werknemer. Scholing die gericht is op algemene ontwikkeling of een startkwalificatie is niet noodzakelijk.

Voor nu is de vraag of scholing met het oog op bredere inzetbaarheid of promotie als noodzakelijk kan worden gezien. De rechtbank Oost-Brabant vindt dat dit, onder omstandigheden, het geval kan zijn. Rechtspraak over de noodzakelijkheid van scholing zal zich ongetwijfeld blijven ontwikkelen.



[1]Zie bijvoorbeeld Rb. Midden-Nederland 14 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:190 & Rb. Oost-Brabant, 5 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:857.

[2]Rb. Oost-Brabant, 5 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:857.

[3]Zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 30 juni 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6037, Rb. Overijssel 4 november 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:6421, Rb. Amsterdam 20 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3114.

[4]Rb. Gelderland 19 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9862 & Rb. Rotterdam 10 november 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:11335.

[5]Rb. Overijssel 4 november 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:6421.

[6]Zie bijvoorbeeld Rb. Midden-Nederland 19 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5560, Rb. Rotterdam 30 juni 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6037, Rb. Rotterdam 21 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:8828, Rb. Gelderland 18 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4640.

[7]Rb. Oost-Brabant 5 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:857, r.o. 4.14-4.17

Advocaat

Lars de Haan

De auteur is advocaat bij Janssens den Boef en gespecialiseerd in onderneming- en arbeidsrecht